Twentse Landgans

Historie Twentse Landganzen

Reeds voor het begin van de jaartelling werd er al in het Noord-Westen van Europa ganzen gehouden (de oudste informatie over ganzen dateert uit ca 4000 voor Christus). Geen vogel bood dan ook zoveel gebruiksmogelijkheden als de gans; de gans leverde eieren, vlees, dons en mest, alsmede ganzenpennen voor schrijfgerei, stabilisatorveren voor pijlen en (helaas) ganzenpaté. In de 2e helft van de 19e eeuw neemt in het oosten van Nederland (met name in Twente en de Achterhoek) de ganzenteelt in omvang toe. Andere gebieden waren Groningen, Noord- en Zuid-Holland en de Zeeuwse eilanden. De veelal arme Twentse boeren legden zich toe op het fokken van een ganzentype, waarvan de economische bijdrage het hoogst was. Het moest geen “verwende” gans zijn. Het diende derhalve een niet te zwaar landganstype zijn, gehard en vruchtbaar, vroeg aan de leg zijn en derhalve vroeg kuikens leveren. Zo ontstond de Twentse landgans. De gans gedijde uitstekend op de broeklanden (laaggelegen natte gebieden).

Omstreeks 1850 ontstaat in Enter de handel in pluimvee, met name ganzen en eenden. Het is niet bekend waarom deze handel zo vrij plotseling kon ontstaan, maar het is een feit dat in 1853 in Coevorden, waar een grote ganzenmarkt was nauwelijks nog ganzen aangevoerd werden. Enterse “ganzenkeals” kochten alle ganzen in de omgeving tot het Duitse grensgebied toe op. Al spoedig werden duizenden ganzen naar Engeland en Duitsland (tot in Oost-Pruisen toe) verhandeld.

Zo zag de auteur van een artikel in de “Kleinveepost” uit 1935 als kind, wonend in Zeist aan de grote rijksweg, die vrijwel de enige goede verbinding vormde tussen het oosten van ons land en de Hollandse provincies, in de jaren 1880-1890 “reusachtige koppels Twentse landganzen op doortocht voorbij komen, geleid door ten hoogstens twee man”. De belangrijkste uitvoer vond plaats via Rotterdam naar Engeland. Hetzelfde gebeurde naar Oost-Europa, waar de ganzen over nog grotere afstanden werden gedreven. Ook werden ze veelal als kerstgeschenk in het westen van ons land verkocht. De ganzen werden daartoe in grote groepen naar het westen van ons land gedreven. De tocht van vele weken vermagerde de dieren sterk; ze werden dan ook afgemest in gebieden vlak bij het afzetgebied. Ook een kenmerk van deze gans was het snelle herstellen van de ontberingen van die tocht. Dat zij er succes mee boekten bleek wel uit de grote vraag naar dit type gans. Het hoogtepunt van de ganzenteelt viel in de jaren tussen 1910 en 1915, toen wekelijks ca 20.000 ganzen vanaf de Twentse markten werden geëxporteerd naar verschillende delen van Europa. Ook werd de gans gebruikt voor ganzengevechten, waar grote weddenschappen aan verbonden werden. In de Eerste Wereldoorlog viel de export stil; de lage slachtprijzen en de ontwatering van de broeklanden betekenden de doodsteek voor de fok. Na de economische recessie van de 30er jaren beleefde de ganzenteelt nog één maal een hoogtepunt, maar na 1945 was het gedaan. Daarna stierven de weinige oude inheemse rassen, zoals de Twentse landgans, de Groninger,  de Noord- Hollandse gans en de Zuidenaar uit. Momenteel worden initiatieven ingeblazen om de Maasgans weer nieuw leven in te blazen.

Algemene kenmerken

  • nauwelijks middelzware, beweeglijke gans
  • middelhoog gesteld, iets opgerichte houding.
  • gewicht: gent 4 tot 5 kilo, gans 3.5 tot 4.5 kilo
  • kleuren: wit en bont
  • ogen helder blauw met lichtoranje oogleden
  • koptekening bij de bonte gans dient niet door te lopen in de hals.
  • snavel en poten oranje bij de bonte en geeloranje bij de witte gans
  • geen wammen (buik- en huidplooien) aan keel en buik
  • vroege leg (vanaf december)